1 â€؛ taalbusplein â€؛ taalroute â€؛ woordkompas_files â€؛ geجپ.pآ  kan moeder...

Download 1 â€؛ Taalbusplein â€؛ Taalroute â€؛ Woordkompas_files â€؛ Geجپ.pآ  Kan moeder nog steeds niet omgaan

If you can't read please download the document

Post on 06-Jun-2020

0 views

Category:

Documents

0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

  • G LEMMATICA G 1

    ° = letterlijk ~ = figuurlijk ≈ = uitdrukking • = vaktaal '" ... '"= (nog) geen ABN I, II etc. = verbindbaarheid ± = synoniem = antoniem « = complement ^ = hypero- & hyponiemen ≥ = nadere specificatie # = andere relaties ../ ..\ = syntactisch/contextuele eenheid (.) .... « = syntact./context. open plaats plus synt. /cont. complement

    De G van Gerard g of: gr. ± Weeg 250 gram bloem af en voeg het al roerend toe.

    geb ± Geboren 15 juli 1937 te Palembang, Indonesië

    gaaf/gave

    ° Wat een mooi oud kopje is dat, is het gaaf? Vergeet het maar, ‘t is behoorlijk beschadigd, hier een stukje er af en daar een barst.

    ± Ja hoor, er mankeert helemaal niets aan! Puntgaaf! ° Wat een gave broek heeft die jongen aan! ‘t Is maar wat je gaaf noemt. Ik vind ‘t geen gezicht!

    ± Inderdaad, hartstikke goed! Echt cool, man!

    gaan/ging/gegaan I ‘t gaat

    ° Ik ga maar weer eens. Kom je gauw nog een keer? ° Het vliegtuig naar Parijs gaat om 11 uur. Het komt om 12 uur in Parijs aan.

    ± Dat naar Berlijn vertrekt een half uur later. ° Ik ga altijd om half negen naar school. Om half één kom ik thuis uit school. ° De school begint om 7 uur en om 13 uur gaat hij uit. ≥ Een echt tropenrooster dus ° Hoe gaan jullie naar Amsterdam? ± Nemen jullie de trein of pak je je eigen auto? ° We gáán helemaal niet naar Amsterdam. We komen er net vandaan. ° Als het slecht weer is gaan we met de trein. ± Dan maken we de reis met de trein. ° Als de zon schijnt gaan we fietsen. ± Dan zullen we de tocht per fiets maken. ° Ze gaan daar nieuwe huizen bouwen. ± Volgende maand beginnen ze. ° Kom mensen, we gaan aan ‘t werk! ± We moeten beginnen! ° Het is nu droog, maar vanmiddag gaat het regenen. ± Volgens het KNMI komt er dan regen. ° Gaat u zitten! ± Neemt u plaats! ° Ga eens even uit de weg, ik kan er niet langs. ± Ga even opzij, wil je? ≈ Je moet de moeilijkheden zoveel mogelijk uit de weg gaan. Sommige mensen zoeken die problemen juist op. ≈ Zullen we een avondje op stap gaan? Nee, ik heb geen zin, ik blijf thuis.

    ± Goed idee! Ik heb wel zin in een avondje uit! ≈ Als je een jongen aardig vindt, hoef je toch niet meteen ± Met echt vrijen kun je beter wachten tot je elkaar wat beter kent.

    met hem naar bed te gaan? ≈ Hij gaat rustig zijn eigen gang. ± Hij stoort zich niet aan anderen. ≈ Als je me nu even m’n gang laat gaan, ben ik zó klaar. Ik kan er niet tegen als je me op m’n vingers kijkt. ± Bemoei je er maar niet mee, ‘t lukt me wel. ≈ Als je wilt dat dat plan lukt moet je voorzichtig te werk gaan. ± Als je het niet tactisch aanpakt, komt er niets van terecht. ≈ Ze gaan nu al een half jaar met elkaar, maar trouwen? Ho, maar. ± Ze hebben een vaste relatie en dat vinden ze genoeg (.) Hoe gaat ‘t met je? « Goed hoor, en met jou?

    ± Hoe is ’t er mee? ° Hoe ‘t nu is? Ach, ‘t gáát (wel)! Prima!/Uitstekend!

    ± ‘t Kon beter!/ Nou ja, ik leef nog/’t Wil nog niet erg. ° ‘t Gaat goed met de patiënt. ± Hij knapt aardig op/Hij is aan de beterende hand. ≈ Hij gaat eraan! ± We zullen hem wel pakken!/krijgen! Hij is verloren! ° Om zeven uur gaat de wekker, dan moet ik opstaan. ± Meestal ben ik al wakker als de wekker afloopt. ° De deurbel gaat. # Daar heb je de visite! ° Als op school de bel gaat betekent dat :...... # .... Pauze! of Einde van de les! ° In het theater gaat de bel als ..... # ... de pauze is afgelopen. ° De telefoon gaat, neem jij hem even? ± Ja, ik hoor hem rinkelen, ik ga al! ° Bergop moet je hard trappen, maar naar beneden gaat vanzelf. ± Daar hoef je niets voor te doen. ° Om te zeggen dat hij een dief is, dat gaat me te ver. ± Zo erg is het volgens mij niet. ° Gáát ‘t of moet ik je helpen? Graag, alléén krijg ik ‘t niet voor elkaar/... red ik ‘t niet.

    ± Nee dank je, ‘t lukt wel! ../ Loopt moeder nog zo moeizaam met haar rollator? ..\ Neen, het gáát nu wel., hoor. ../ Kan moeder nog steeds niet omgaan met zo'n rollator? ..\ Neen, het gaat nu wèl, dankzij zo'n training, je weet wel.

  • LEMMATICA G 2

    gaar/gare

    ° Zijn de aardappelen al gaar? Nee, ze zijn nog keihard, ze moeten nog langer koken. ° De kip is zo gaar als boter; het vlees valt van de botten. ± Dan is hij precies lang genoeg gebraden. ~ Word je niet gaar van zo’n hele dag lezen? ± Ik zou er zo suf als wat van worden. ≈ Als hij in zo’n bui is kun je hem ‘t beste in z’n eigen vet ± Bemoei je maar niet met hem, dan draait hij vanzelf wel bij. gaar laten smoren. ≈ Trek je maar niets aan van die ‘halve gare!’ ± Dat is me toch een idioot!

    gaarne

    ° Onder aan de brief staat heel formeel: ± De afzender bedoelt daarmee in “gewone” taal: “Uw antwoord zien we gaarne zo spoedig mogelijk tegemoet.” “We willen graag zo snel mogelijk weten wat u ervan vindt. “

    het gaatje/de -s

    ° Ik heb geen gaatjes in mijn oren ...... # ... dus ik kan die oorringen helemaal niet dragen. ° Ik dacht dat de parkeerplaats vol was maar ik vond toch nog ± Er was nog net één plekje vrij. een gaatje. ≈ En moet ik dan alles alleen opruimen? Je denkt toch niet ± Je denkt toch niet dat ik gek ben? dat ik een gaatje in mijn hoofd heb?

    de gang/-en

    ° Op de lange gang kwamen een heleboel deuren uit: ≥ ...van de klaslokalen, van de toiletten en van de kantine. ° De lastige leerling moest een poosje op de gang staan. In de klas was hij veel te druk. ≈ Ik kon mijn auto niet aan de gang krijgen. ± Ik kreeg hem niet aan de praat, de motor wou helemaal niet lopen. ≈ Ik kon vanmorgen maar moeilijk op gang komen. Fluitend sprong ik uit mijn bed, ik had er echt zin in.

    ± Ik had moeite om in beweging te komen. ≈ Toen we binnenkwamen was het feest al in volle gang. ± De stemming zat er al goed in: er zat een band te spelen

    en er werd druk gedanst. ≈ Heb jij enig idee van de gang van zaken bij zo’n plechtigheid? ± Hoe verloopt zo’n plechtigheid eigenlijk? ≈ Wilt u er langs? Gaat uw gang, mevrouw. ± Ik maak wel even ruimte voor u.

    gapen/gaapte/gegaapt I ze gaapt

    ° Heb je slaap, je zit zo te gapen? ± Dat is al de derde keer dat je geeuwt. ~ Er was een gapende kloof tussen de ideeën over vrede van ± De tegenstellingen zijn onoverbrugbaar, er is geen compromis

    Sharon en Arafat. mogelijk.

    de garage/-s

    ° Staat de auto al in de garage? Nee, hij staat nog op straat, voor de deur. ° Morgen moet de auto naar de garage voor een grote beurt ≥ Dan kijken ze alles na en repareren wat daarvoor in aanmerking komt. en de APK-keuring.

    garanderen/garandeerde/gegarandeerd II Ze garandeert succes

    ° De wet garandeert een gelijke behandeling van mannen ≥ Wie zich niet aan die wet houdt wordt gestraft. en vrouwen. ° Die machine wordt vijf jaar gegarandeerd. ± Als u binnen vijf jaar klachten hebt, wordt de machine

    gerepareerd of vervangen. (.) Ik weet zeker, dat Jan in Haarlem woont. >> Dat garandeer ik je! ~ Moet zij dit probleem oplossen? Dat gaat gegarandeerd mis! Dat is toch nog helemaal niet zeker, misschien lukt ‘t wèl!

    ± Dat loopt geheid verkeerd af! Dat geef ik je op een briefje!

    het garen/de -s

    ° Met wat voor garen heb je die knoop aangenaaid? ± Ik heb die draad gebruikt die nog in die naald zat. ≈ Die heeft ook het zwarte garen niet uitgevonden! ± Dat is niet bepaald een slimmerd! ≈ Als hij zo’n bui heeft valt er geen goed garen te spinnen met ‘m. ± Er valt dan geen land met hem te bezeilen! Er valt niet met hem te

    praten, hij reageert alleen maar negatief. ^ bindmateriaal: garen, touw, ijzerdraad enz.

  • LEMMATICA G 3

    ° = letterlijk ~ = figuurlijk ≈ = uitdrukking • = vaktaal '" ... '"= (nog) geen ABN I, II etc. = verbindbaarheid ± = synoniem = antoniem « = complement ^ = hypero- & hyponiemen ≥ = nadere specificatie # = andere relaties ../ ..\ = syntactisch/contextuele eenheid (.) .... « = syntact./context. open plaats plus synt. /cont. complement

    de garnaal/ -nalen

    ° De kinderen hebben aan het strand garnalen getrokken ^ Aan het strand vind je nog veel meer schaaldieren zoals mosselen, en nu moet moeder ze pellen. kokkels en krabjes. ≈ Ik heb een geheugen als een garnaal. ± Ik kan bijna niets onthouden. ≈ Hij is zo stoned als een garnaal. ± Hij heeft duidelijk drugs gebruikt/ gescoord. ^ garnalen, mosselen, krabben, oesters, kreeften ..... : schaaldieren of dieren met een uitwendig skelet.

    het gas/de -sen

    ° Een gas is een stof zonder eigen vorm en zonder eigen volume. « Er zijn ook vaste stoffen (met eigen vorm én volume) en vloeistoffen (met eigen volume). ° Heel veel mensen koken op gas. En er zijn ook heel wat mensen die elektrisch koken. ° Heb je het gas uitgedaan? Anders moeten we terug! ± Ja hoor, ik heb de gaskraan dichtgedraaid. Rij maar rustig door. ° Als je die auto wil passeren moet je meer gas geven. ± Trap het gaspedaal maar in!

    # Je zult dan toch harder moeten rijden. ≈ “’ Voor mij mag die goser aan het gas! Wat een klootzak!”’ ± Die rotvent mogen ze wat mij betreft direct vermoorden. ° Bij de explosie op de tanker kwamen gevaarlijke gassen vrij. # Wegens acuut gevaar voor de luchtwegen werd ‘t havengebied

    geëvacueerd. de gaspit/-ten

    ° Het fornuis heeft bovenop vier gaspitten ../ « ..\ en daaronder een elektrische oven met gri