HV Edda Met Aanvullingen

Download HV Edda Met Aanvullingen

Post on 13-Jul-2015

849 views

Category:

Documents

0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

Kennisvragenlijst EDDA-modelI. Vragen in verband met exploreren1. Wat verstaan we onder proloog? Proloog = de fase die aan het onthaal en de intake voorafgaat (vb. de voorgeschiedenis van de hulpvrager). Het gaat om de voorgeschiedenis en om de context van de hulpvrager maar ook om de voorgeschiedenis en context van de social caseworker en de organisatie. Nog vooraleer het eerste woord gesproken is tussen de social caseworker en de hulpvrager is er al veel gezegd. Bij de verschillende actoren vindt er voorafgaandelijk een proces plaats dat de uiteindelijke hulpverleningsruimte sterk zal bepalen. Dit zowel bij de: - Social caseworker (welke ruimte heeft SC voor het behandelen van de vraag? identificeert de SC zich met missie organisatie? is SC gesteund door team? welke ervaring heeft de SC?) - De hulpverlenende organisatie als sector (hoe is org. gekend tov. buitenwereld? hoe promoot org. zich naar de buitenwereld? welk werkklimaat wordt aangeboden door beleid? in welke mate wordt de org. gesteund door de inrichtende macht? - De potentile hulpvrager (omgeving, familiegeschiedenis, (on)geluk, is omgeving op de hoogte van de stap van de clint naar HV? welke klacht wordt er geformuleerd vanuit het systeem? waarom komt de hulpvrager naar de hulpverlener? vrijwilligheid, gedwongen? - De verwijzer als actor (is SC vertrouwd met verwijzer/ persoonlijke voorkeur? obv welke criteria werd gekozen voor deze org.? Op welke wijze stelt de verwijzer de org. voor? 2. Wat verstaan we onder anamnese? Verschilt het van de term 'intake' en 'assessment'? Anamnese = het exploreren van de aangemelde situatie waarin veelal gedetailleerd wordt teruggeblikt op de ontstaansgeschiedenis van de klacht en waarbij meestal een vaste werkwijze en hulpmiddel (checklist) worden gebruikt. Assessment = een term die verwijst naar de eerste fase uit het casemanagement waarin niet alleen de vragen en de behoeften worden genventariseerd maar ook de mogelijkheden van het sociaal netwerk. Het is een verzamelnaam voor een aantal activiteiten die vooraf gaan aan het opstellen van een hulp- of diestverleningsplan, waarin men relevante informatie verzamelt om tot adequate beslissingen te kunnen komen. Soms ook aangeduid met de term 'inschatting' of 'taxatie'. Intake = het wederzijds proces van informatie-uitwisseling tussen een hulpvrager en een maatschappelijk werker met als doel: beslissen of de hulpvrager clint kan/wil worden binnen de organisatie. Dit proces beperkt zich tot een afgebakend gesprek(sdeel) maar kan ook over meerdere gesprekken lopen.

12

3.Wat is het verschil tussen intake en exploratie? Intake = het wederzijds proces van informatie-uitwisseling tussen een hulpvrager en een maatschappelijk werker met als doel: beslissen of de hulpvrager clint kan/wil worden binnen de organisatie. Dit proces beperkt zich tot een afgebakend gesprek(sdeel) maar kan ook over meerdere gesprekken lopen. Exploratie = het verkennen van de situatie. Wie exploreert, verzamelt info over de probleemsituatie waarin de hulpvrager zich bevindt. Exploreren is horizontaal kijken en luisteren. Het is tegelijk observeren, luisteren, bevragen, doorvragen, lezen en zorgvuldig in kaart brengen. Het gaat om een wederzijds communicatieproces. - de SC informeert de hulpvrager over de organisatie. - de hulpvrager informeert SC over de probleemsituatie - derde die bij het probleem betrokken zijn informeren de SC. Het doel is weten, kennis opdoen, ordenen en samenleggen De intake is nmalig, exploreren doe je bij elk nieuw probleemaspect, je doet dit meerdere malen en in verschillende fasen van de hulpverlening 4. Teken het schema van een enkele intake BEGIN

AANMELDING + ONTHAAL eventueel: onm. onm. hulp doorverwijz en/of maatregelen iNSTAPGESPREK

HULPVERLENINGSVOORSTEL eventueel: extra info ISO verzamelen bij derden VOORLOPIGE DIAGNOSE

DOORVERWIJZING OF START HULPVERLENING 5. Wat is een instroomoverleg? (ISO) ISO = een bespreking tussen de intakecordinator en alle intakers en social caseworkers van de organisatie die op regelmatige tijdstippen plaatsvindt. Tijdens het ISO worden intakes besproken indien ze vragen opleveren voor de intakers. Andere intakes worden ter kennisgeving voorgelegd. Het doel is consensus bereiken over de aangewezen hulpverleningsvorm. Er wordt ook afgesproken wie de verdere hulpverlening op zich zal nemen. Dit hoeft niet per se de intaker te zijn. Hulpvragers moeten over deze procedure wel goed van tevoren worden ingelicht. Het verdient aanbeveling om deze bespreking zorgvuldig te registreren. In dit soort besprekingen zal telkens de actuele organisatiecontext mee bekeken worden. Wie is best geplaatst op dat moment om de nieuwe intake verder te begeleiden? Elke intake kan een signaalwaarde dragen. Intakes kunnen immers individuoverstijgende probleemaspecten bevatten? Het is bijzonder leerrijk om dit systematisch

12

te bewaken. Welke hulpvragen bereken ons (niet)? Wie doet op ons (g)een beroep? wat zijn (on)terechte verwachtingen van de hulpvragers? Na het instapgesprek volgt de voorlopige diagnose die moet uitwijzen of de hulpvrager wel op de juiste plaats zit. Indien niet, volgt er een verwijzing. Op basis van voorlopige diagnose wordt een eerste hulpverleningsvoorstel geformuleerd. 6. Wat is een ecogram? Het ecogram is een grafische voorstelling van het ecologische beeld: de ruimere context waarin de clint gesitueerd is of het geheel van aanwezige en ontbrekende hulpbronnen. De kwantiteit, de intensiteit en de verscheidenheid van het sociaal netwerk van een individu of clintsysteem worden in beeld gebracht. Er wordt gebruik gemaakt van vaste symbolen. Er zijn vaste symbolen voor het aanduiden van de intensiteit van de relatie: = wederzijdse ondersteunende relatie -------------- = onderbroken relatie, geen intense rol -/-/-/-/-/-/-/ = conflictueuze relatie verschillende letters geven aan waaruit de steun bestaat: A = advies P = praktisch E = emotioneel G = gezelschap Het maakt in een oogopslag diverse aspecten van het netwerk duidelijk zoals de omvang, de verscheidenheid, de dichtheid, de nabijheid/bereikbaarheid, de stabiliteit van de hulpbronnen. 7. Wat verstaan we onder lijdensdruk en hoe bevraag je dit? Lijdensdruk = de impact van de probleemsituatie op het leven van de hulpvrager. Je moet de betekenis van de klacht gaan bevragen bij de hulpvrager. zie de 6 gespreksthema's pagina 81 ev.: - wat is de klacht van de hulpvrager - wat betekent de klacht voor de hulpvrager op dit moment? - hoe ontwikkelde de klacht zich? - wat heeft de hulpvrager zelf reeds ondernomen om de klacht te verlichten? - wat verlangt de hulpvrager van de helper? - welke hulp kan de organisatie bieden? Life-eventlijn = een grafische weergave van belangrijke gebeurtenissen in het leven van een hulpvrager. Het geeft een indicatie van de levens- en lijdensdruk van een hulpvrager en diens gezin. 8. Welke exploratie-items leveren informatie op over de workability van de clint? Workability = een term die zowel verwijst naar de competentie als naar de bereidheid van de clint. De competentie wordt op lichamelijk, psychisch (emoties en intelligentie) en sociaal vlak ingeschat. De bereidheid wordt afgeleid uit de onlustbeleving enerzijds en de anderzijds uit de hoop.

12

. zie de 6 gespreksthema's pagina 81 ev.: - wat is de klacht van de hulpvrager - wat betekent de klacht voor de hulpvrager op dit moment? - hoe ontwikkelde de klacht zich? - wat heeft de hulpvrager zelf reeds ondernomen om de klacht te verlichten? - wat verlangt de hulpvrager van de helper? - welke hulp kan de organisatie bieden? Het probleemoplossende vermogen van de hulpvrager (zie p. 82.) 9. Geef drie aandachtspunten als je een explorerend gesprek voert met meerdere leden van een clintsysteem tegelijk. - De intaker zal de gespreksregels van bij de aanvang van het gesprek duidelijk stellen - Goed letten op hoe de mensen er bij zitten: wie zit naast wie, wie spreekt/zwijgt/onderbreekt? - Wat zeggen ze zonder woorden? non-verbale communicatie 10. Beschrijf de typische visie van het taakgerichte casework op exploreren. Taakgericht casework opteert bewust voor een gerichte exploratie rond de probleemterreinen die door de hulpvrager worden erkend. Uitgebreide exploratiegesprekken die focussen op het verkennen van het verleden van de hulpvrager worden geweerd. Het exploreren wordt begrensd tot het verkennen van die aspecten die volgens de hulpvrager het probleem in stand houden. 11. Bespreek het spanningsveld 'vertrouwen' versus 'gezonde argwaan' tijdens de intake. Tijdens de intake wordt een begin gemaakt met het opbouwen van betrouwbaarheid als gesprekspartner. Wat maakt een SC betrouwbaar? Welke criteria hanteert de hulpvrager hierbij? Ervaringen met hulpverleners uit het verleden spelen hierbij wel eens parten. Heeft de hulpvrager argwaan ontwikkeld en, hoe kan de nieuwe SC met deze erfenis omgaan? Natuurlijk kan de SC hieraan tegemoetkomen door informatie op maat te snijden van de hulpvrager, maar dan nog rest de vraag in hoeverre deze informatie binnenkomt en verwerkt wordt. Veelal gaat het bij betrouwbaarheid om een heel proces. De SC moet betrouwbaarheid als het ware 'verdienen' bij de hulpvrager.

II. Vragen in verband met dialogisch diagnosticeren1. Teken de draagkracht-draaglastbalans en leg de begrippen kort uit. Dit geeft aan hoe de draaglast van mensen wordt bepaald door opdrachten, stressbronnen, normatieve en incidentele crisissen. Vervolgens wordt bij het diagnosticeren nagegaan welke (dynamische) componenten de workability en draagkracht van mensen bepalen. De draaglast is de feitelijke belasting van de clint op het moment van zijn hulpvraag mee wordt geconfronteerd.

12

De draagkracht van een clint wordt bepaald door verschillende factoren. Sommige factoren zijn persoonsgebonden, andere houden verband met het netwerk, de aan- of afwezigheid van steunfiguren, de reeds bestaande voorzieningen,... stress normatieve/incidentele crisis

draaglast

draagkracht: 1. individueel probleemoplossend vermogen: fysisch, psychisch, sociaal. 2. omgevingssteun (relation. en soc. netwerk) 3. instrumentele steun (formele en materile hulpbronnen, institutionele voorzieningen 2. Wat is een normatieve crisis? een normatieve crisis ontstaat ten gevolge van hinderpalen die elk individu op zijn levenspad tegenkomt, en die eigenlijk wezenlijk verbonden zijn met een normale ontwikkeling van levensloop. Ondanks dit kunnen ze een destabiliserend effect hebben en heel wat overlast bezorgen. een incidentele crisis is het resultaat van een eerder uitzonderlijke gebeurtenis die extra ontwrichtend is en een supplementaire belasting met zich meebrengt. 3. Waar verwijst het letterwoord SPIRO naar? SPIRO verwijst naar 5 criteria waaraan een hulpverleningsdoel moet voldoen. (doet met denken aan SMART) S= specificiteit = is het specifiek, nauwkeurig genoeg geformuleerd? P=performantie = is het geformuleerd in termen van een prestatie, van gedrag? I= Inspraak = Werd het clintsysteem betrokken bij de formulering van het werkpunt? R = Realisme = is het werkpunt realistisch, haalbaar? O = Observeerbaarheid = Is het werkpunt observeerbaar en verifieerbaar? Algemeen worden hulpverleningsdoelen werkbaarder en motiverender voor clint(systeem) wanneer ze gericht zijn op haalbare, afgelijnde en voor de clint relevante of aantrekkelijke objectieven. 4. Wat is het verschil tussen een probleemdefiniring en een hypothese? Hypothesen = nog niet gecheckte, mogelijke verklaringen voor een probleem of verbanden tussen diverse probleemaspecten: heeft altijd een tijdelijke status en dient nauwgezet opgevolgd te worden via bijkomende feiten. als de hypothese gefundeerd blijkt te zijn (na het checken) kan deze worden omgezet in een probleemdefiniring.

12

Probleemdefiniring = de social caseworker toetst of onderzoekt de eerste hypothesen (via gesprek, observatie en overleg met de clint of professionelen) en komt op basis hiervan tot een probleemdefiniring. Deze geeft antwoord op volgende vragen: - Wat is er precies aan de hand in de situatie van de clint en met de clint zelf; - Hoe kunnen problemen worden verklaard en wat is de samenhang tussen de verschillende aspecten van de problematiek; - Wat zijn de mogelijkheden van de clint om aan de oplossing van de problemen te werken en wat wil de clint (workability) - Welke hulpbronnen in de omgeving zijn nodig en in welke mate zijn deze ook beschikbaar? Kortom: Een hypothese is niet gecheckt, een probleemdefiniring is wel gecheckt. 5. Wat is het verschil tussen een analyse en een indicatiestelling? Probleemanalyse = de systematische voortzetting en uitdieping van datgene wat in de intake begonnen is als 'onderzoek van de hulpvraag' en 'eerste formulering van het probleem'. Onderscheiding van 4 belangrijke activiteiten: - de verdere exploratie en specificatie van het probleem(situatie)/wens - Het nader onderzoek dat eventueel leidt tot vergroting van probleeminzicht en acceptatie bij de clint - aandacht besteden aan de werkrelatie - het maken van vervolgafspraken. Indicatiestelling = empirisch of theoretisch onderbouwde aanbevelingen voor een of meerdere behandelingen. De uitkomst van de indicatiestelling is een lijst van aanbevelingen voor mogelijke interventies. Indiceren betekent met andere woorden het vaststellen van de passende behandelingen bij een gegeven diagnose. 6. het diagnosticeren is een dialogisch proces. We onderscheiden vier dialogen nl: - een dialoog met de maatschappelijke context - een dialoog met sociaal-wetenschappelijke denkkaders en theorien - een dialoog met het clintsysteem - een dialoog met de social caseworker Zie boek pagina 113-131 voor verdere uitwerking en voorbeelden. 7. Geef vijf probleemcategorien zoals die worden onderscheiden door Reid en Epstein (taakgericht casework)(enkel benoemen is genoeg!) Om de taakgerichte caseworker te helpen in het systematisch exploreren en registreren van erkende problemen werd een probleemclassificatie ontworpen. Er zijn er 8 volgens Epstein: - Interpersoonlijke conflicten - Onvoldaanheid met sociale relaties - Problemen met formele organisaties - Moeilijkheden met de rolvervulling - Problemen in verband met verandering in de sociale situatie - Problemen met besluitvorming - Recreatieve emotionele nood - Onvoldoende hulpbronnen

12

- Psychosociale of gedragsmatige problemen die niet vallen onder de vorige categorien. 8. Noem drie referentiekaders die social caseworkers kunnen gebruiken bij het diagnosticeren.

Leertheoretische referentiekader o Helpen= vorm van leren o Accent op gedrag en gedragsverandering Taakgerichte referentiekader o Helpen= probleemverlichting o Accent op door clinten erkende problemen Sociaal-ecologische referentiekaders o Helpen= bemiddelen o Accent op netwerkontwikkeling o Principe: ecologische zorg werkt

9. Leg uit: wat is het verschil tussen interne en externe attributie? Attributie = een eigen verklaringsmodel voor wat gebeurt in een bepaalde situatie. Interne attributie = De situatie...